Navigate / search

Interview in Reformatorisch Dagblad

“Het is niet gek als je last hebt van een angststoornis, maar wel lastig”

Klem op een vluchtheuvel

Michiel Bakker

Ze hebben te maken met straatvrees, smetangst, controledwang, kerkfobie en tal van andere klachten. Buitenstaanders begrijpen hen veelal niet, waardoor ze zich vaak alleen voelen staan. Sinds vijfjaar biedt een christelijke vereniging mensen die lijden aan angst- en dwangstoornissen of fobieën de mogelijkheid lotgenoten te ontmoeten, ervaringen uit te wisselen en geloofsvragen met elkaar te delen. “In de kerk kreeg ik voor het eerst een paniekaanval. Dan weet je echt niet wat er gebeurt.”
Terwijl zijn hond zich op de mat in de gang nestelt, schenkt Eric Visser (40) thee. In zijn royaal met planten aangeklede woonkamer vertelt de Apeldoorner dat hij op zijn dertiende last kreeg van smetvrees en controledwang.
“Het sloop er langzaam in. Ik begon alles te controleren. Of de deur goed dicht zat, of ik de kraan had uit gedaan, of ik het licht niet had laten branden. Ik kon er niet van loskomen. Als gevolg van smetvrees stond ik twee uur lang onder de douche.” Zijn middelbareschooltijd bestempelt Visser als een verschrikking. “Mijn klachten probeerde ik zo goed mogelijk voor iedereen te verbergen. Ik was perfectionistisch en bleef maar doorleren. Intussen kon ik de stof slecht in me opnemen. Op de mavo werd ik gigantisch gepest. Het was een afschuwelijke periode.” Na zes jaar behaalde Eric zijn mavo-diploma, waarna hij de tweejarige Intas-opleiding voor ziekenverzorgende ging volgen. De theorie ging hem goed af, maar tijdens het praktijkgedeelte in een verzorgingshuis stuitte hij op problemen.
Angst speelde hem parten. “Ik was bang dat ik medicijnen aan de verkeerde persoon zou geven of dat ik iemand een verkeerde dosis zou toedienen. Ik was heel krampachtig.” Inmiddels weet Visser dat hij lijdt aan een hersenziekte die erfelijk is bepaald. Ook zijn moeder had last van smetvrees en straatangst. Zijn drie zussen kampen niet met angst- en dwangklachten. Een van hen ziet inmiddels wel een aantal van deze verschijnselen bij een van haar kinderen optreden. Propje papier Na het overlijden van zijn moeder in 1985 brak voor Visser een zware tijd aan. “Vanaf dat moment namen mijn klachten explosief toe. Mijn moeder is helemaal in het wit begraven, net als koningin Wilhelmina. Ik legde de link met alles wat wit was. Elk wit propje papier, wit steentje of stukje kauwgom gaf me angst. Ik kan nog steeds geen post wegdoen in een witte envelop. Dan denk ik dat er iets tussen zit. Ik kan het niet verklaren.” In de loop der jaren veranderde het klachtenpatroon, maar Visser kan zich geen dag zonder angst en dwang herinneren. “Vanaf het moment dat ik ’s morgens m’n ogen opendoe totdat ik ze ’s avonds dicht doe, is het aanwezig. Als ik buiten loop en een straat heb overgestoken, denk ik: Ging het wel goed? Dan ga ik terug. Soms sta ik op een vluchtheuvel en kan ik geen kant meer op. Dan duurt het een kwartier voor ik verder durf over te steken. En als ik aan de overkant ben, loop ik meteen weer terug.”
In 1988 ging Visser zelfstandig wonen. Dat kwam zijn gezondheid niet ten goede. “Ik moest alles zelf doen. Als ik ging schoonmaken, hield ik niet meer op.” Wijzend naar zijn wandmeubel: “Ik was een dag bezig om dat schoon te maken. Aan het eind van de dag had ik knallende hoofdpijn. De volgende dag had ik geen energie om iets anders op te pakken. Tot 1989 heb ik verschillende baantjes gehad. Ik pakte alles aan, van schoon tot zeer vies. Uiteindelijk ging het niet meer.” Naast diverse andere klachten speelt de laatste twee jaar vooral controledwang Visser parten. “Het afsluiten van de voordeur is het ergste. Ik ben al snel twintig minuten bezig om te controleren of die goed op slot zit, als ik tussendoor niet word afgeleid. Vanmorgen heb ik er honderd keer tegenaan gedrukt. Soms is veertig of vijftig keer voldoende. Daarna sta ik dan nog tien minuten naar het slot te kijken. Datzelfde geldt bij de controle van de ramen. Het is tijdrovend en energieverslindend. Hoe vermoeider ik ben, hoe ernstiger de klachten zijn .”
Paniekaanval van Gils (35) uit Ouderkerk aan den IJssel herkent het verhaal van Visser voor een deel. Vanaf haar jeugd had ze te maken met onverklaarbare angst. “Als ik in de stad liep, was ik heel bang. Zonder dat ik precies wist waarvoor. Ik had een sterke angst voor buitenlanders. Waarom? Dat wist ik niet. Een tante van mij had een tuindersbedrijf waar een aantal Marokkanen werkte. Als ik daar was en ze vroeg of ik hen wilde roepen voor de koffie, vond ik dat vreselijk eng.” Rond haar zeventiende kreeg Van Gils meer klachten. “Ik dacht dat ik hyperventileerde. Het ging alleen nooit weg, was de hele dag aanwezig. In de kerk kreeg ik voor het eerst een paniekaanval. Dan weet je echt niet wat er gebeurt. Het zweet liep me over de rug. Later kreeg ik hetzelfde toen ik voor een stoplicht moest wachten. Daarna vond ik het verschrikkelijk voor een verkeerslicht te staan. Ik was bang dat het weer zou gebeuren.
” Via de huisarts kwam ze bij de riagg terecht. Gesprekken met een psycholoog leidden niet tot vermindering van de klachten. “Ik heb er lang over geprakkiseerd waar ze vandaan komen, maar ik weet het niet. Echt niet. Ik heb geen traumatische jeugd gehad. Het zit toch een beetje in de genen, denk ik.” Na haar negentiende raakten Van Gils’ problemen lange tijd grotendeels op de achtergrond. Ze trouwde, kreeg drie kinderen, leidde een normaal leven.
Dat veranderde toen in 1997 haar moeder overleed. “De klachten kwamen in alle hevigheid terug. Het was duidelijk geen hyperventilatie, maar echt angst. Grote angst. Ik was bang voor heel gewone dingen. Het lukte me bijvoorbeeld niet om boodschappen te doen. Buiten de deur voelde ik me niet prettig. Ik heb wel gedacht: Had ik maar iets speciaals waar ik bang voor was. Spinnen of zo. Maar het kon van alles zijn.”
Medicijnen
Uiteindelijk dwong Van Gils zichzelf het huis uit te gaan. “Ik dacht: Anders kom je op den duur nergens meer. Ik ging overal heen, maar kon nergens van genieten.” Meer dan eens kreeg de Ouderkerkse, lid van de hervormde gemeente in haar woonplaats, in de kerk een paniekaanval. “Sommigen gaan er dan uit, maar dat wilde ik niet. Als je een keer bent weggelopen uit de dienst, is het de volgende keer moeilijker om te blijven zitten of om nog naar de kerk te gaan. Ik kan overigens wel begrijpen dat mensen de kerk uit gaan. Het is onwijs moeilijk om te blijven zitten. Ik hoorde dan ook niets meer van de preek, liet alles over me heen komen. Intussen telde ik de mensen met een bril, puur als afleiding. Als ik daarmee klaar was, zocht ik iets anders. Je wordt er enorm moe van.
“Van haar huisarts kreeg ze medicijnen om de klachten onder controle te krijgen. “Eerst wilde ik dat niet, maar het moest wel. Anders zou ik op den duur waarschijnlijk de hele dag op een stoel hebben gezeten met een stijve nek van de angst. Ik kreeg paroxetine, een antidepressivum. Dit middel werkt ook tegen angst- en dwangklachten. Daardoor ben ik van de angst af gekomen. Ik kan niet meer zonder dit medicijn. Een paar keer heb ik geprobeerd ermee te stoppen, maar dan kwam de angst na een poosje terug.
“Hoewel ze op geen enkele wijze terugverlangt naar haar angst, merkt Van Gils dat medicatie ook een nadeel heeft. “Toen ik geen medicijnen gebruikte, had ik sterk het gevoel dat ik God nodig had. De pillen zwakken dat gevoel af. Dat werkt door in mijn geloofsleven. Bij het zingen van bepaalde psalmen biggelden vroeger de tranen over mijn wangen. Dat heb ik nu niet meer. Dat wil niet zeggen dat mijn geloof minder echt is. Het gaat niet om de tranen. God ziet het hart aan. Maar dat sterke gevoel van afhankelijkheid mis ik wel eens.
“Het was een aantal jaren geleden voor Van Gils een belangrijke ontdekking dat de Christelijke Vereniging Angst- en Dwangstoornissen en Fobieën (CVADF) bleek te bestaan. “Dat gaf me het idee: Het is dus niet iets geks wat ik heb. Er is zelfs een vereniging die onze belangen behartigt.
Het komt veel voor dat mensen niet willen accepteren dat ze klachten hebben. Ze schamen zich ervoor. Het is belangrijk dat die gedachten worden doorbroken. Het ís niet gek als je last hebt van een angststoornis, maar het is wel lastig.” Een ontmoetingsdag van de CVADF heeft Van Gils nooit bezocht. “Daarvoor moet je naar Veenendaal. Dat zie ik niet zitten. Als ik daar een paniekaanval zou krijgen, ben ik anderhalf uur van huis. Dat is te lang. Ik heb nog steeds moeite met ver weg gaan.” Wel bezoekt ze twee keer per jaar in haar eigen regio huiskamerbijeenkomsten voor mensen met angst. “De herkenning die je daar vindt, is heel belangrijk.” Hoewel ze met gebruik van medicijnen haar probleem grotendeels onder controle heeft, vindt ze betrokkenheid bij de CVADF nog steeds van belang. “Ik hoop nu iets voor anderen te kunnen betekenen. Sinds kort schrijf ik voor ons kwartaalblad Digitalis en werk ik mee aan de opbouw van de website. Het voordeel van een site en e-mail is dat mensen op een moment dat het hun uitkomt contact kunnen zoeken en hun verhaal kunnen mailen naar mensen die hen begrijpen.
Dwangklinieken
Dat het vaak lang duurt voordat mensen hulp zoeken, bevestigt Eric Visser uit eigen ervaring. De Apeldoorner tobde jarenlang in eenzaamheid met zijn angst- en dwangprobleem. “Ik heb zo lang mogelijk geprobeerd het zelf te rooien.” Er kwam een moment dat het niet meer ging. In 1989 kwam hij via zijn huisarts bij een psychiater terecht. Het was het begin van een jarenlang traject in de hulpverlening. Zo volgde hij twee jaar dagbehandeling in een psychiatrisch ziekenhuis en verbleef hij enkele maanden in twee gespecialiseerde dwangklinieken. “De eerste opname hielp iets. Ik ben toen van het urenlange douchen af gekomen.
Bij de tweede opname dacht ik dat het uiteindelijk 30 tot 40 procent beter ging. Er was echter geen goede nazorgbehandeling. Na drie maanden was ik terug bij af.” Twee jaar geleden kwam Visser bij het UMC in Utrecht terecht. De artsen hadden niet het idee iets te kunnen toevoegen aan alle behandelingen die hij al had ondergaan.
Inmiddels diende zich een nieuwe mogelijkheid aan, die nu wordt onderzocht: Deep Brain Stimulation (DBS). “Dat is een voor Nederland nieuwe behandeling voor mensen met een ernstige dwangstoornis bij wie medicatie niet helpt. Er worden twee gaatjes in de hersenpan geboord waarin elektroden worden geplaatst. Verder krijg je twee kastjes onder beide sleutelbenen. Daardoor moeten er stroompjes naar je hersenen gaan. Die zorgen voor een goede prikkeloverdracht.” Visser geeft een voorbeeld. “Als ik het huis uit ga, hoor en zie ik dat de deur dicht is, maar het kwartje valt niet. Daarom blijf ik het eindeloos controleren. Soms kunnen medicijnen voor de juiste prikkeloverdracht zorgen. Omdat dat bij mij niet helpt, biedt Deep Brain Stimulation misschien een oplossing.
Voor eind juli hoor ik of ik voor deze operatie in aanmerking kom en tot de eerste zestien Nederlanders behoor die deze kunnen ondergaan. In dat geval zal ik voor december volgend jaar worden geopereerd. De ervaring in het buitenland leert dat zo’n operatie positief uitwerkt. Als dat toch niet het geval is, kunnen ze de ingreep ongedaan maken.”
Moestuin
Op dit moment stempelt zijn ziekte Vissers leven. Twee dagen per week werkt hij met behoud van zijn uitkering op een zorgboerderij. “Als ik ’s morgens van huis ga, heb ik al anderhalf uur dwang achter de rug. Op de boerderij kan ik in m’n eigen tempo werken. Ik heb daar een moestuin. Verder doe ik allerlei klusjes: hout verwerken, gras maaien, schilderen. Er valt altijd iets te doen. De dag erna ben ik afgedraaid.” Eenmaal per week heeft Visser een gesprek met iemand van het RIBW, dat woonbegeleiding biedt aan mensen met een beperking. “Dan kan ik ventileren wat ik heb meegemaakt. Anderen wil ik daar niet mee lastigvallen. Voor een buitenstaander is het moeilijk te begrijpen wat ik voel. De begeleider van het RIBW helpt me
verder mijn post in een envelop te doen en naar de brievenbus de brengen. Als ik naar de brillenzaak of een of andere instantie moet, gaat er iemand met me mee. Een eetgroep, een inloopochtend en een maatjesproject bieden Visser sociale contacten. Verder neemt hij deel aan activiteiten in de baptistengemeente waarvan hij lid is. Hij is blij dat hij geloofsvragen ook kan bespreken met lotgenoten in de Christelijke Vereniging Angst- en Dwangstoornissen en Fobieën. Bij de algemene vereniging waar ik eerder kwam, kun je daar niet over praten, of je moet net iemand treffen die ook christen is. Ik heb veel waaromvragen. Soms ben ik moedeloos, maar toch wil ik aan het geloof vasthouden.
KADER Lotgenotencontact De Christelijke Vereniging Angst- en Dwangstoornissen en Fobieën (CVADF) bestaat vijftienjaar. In juni 2000 ging de vereniging, ondersteund door de Nederlandse Patiënten Vereniging in Veenendaal, van start. De organisatie heeft een brede kerkelijke achtergrond. Zij belegt onder meer ontmoetingsdagen en regionale huiskamerbijeenkomsten voor lotgenoten. Vier keer per jaar geeft ze het blad Digitalis uit, waarvan deze week een lustrumuitgave verscheen.
Meer informatie: www.cvadf.nl; e-mail: info@cvadf.nl (secretariaat CVADF); of via de NPV: tel. 0318-547888.
Bron: RefDag.